In de Hollandsche Schouwburg
John wordt op 24 juni 1943 uit zijn huis gehaald en samen met zijn vader naar de schouwburg gebracht.
In de crèche
John heeft nooit in de crèche gezeten. Hij vluchtte terwijl hij vanuit de schouwburg naar de crèche werd gebracht.
De vlucht
In de hal van Schouwburg moesten de kinderen zich in een rij opstellen, de deur uit en dan schuin de straat oversteken naar de crèche. Johns vader had in de Schouwburg gezegd: "Luister goed. Zodra je kans ziet, moet je weglopen uit die rij. Hier heb je wat kleingeld. En denk erom: je moet nooit bang zijn in het leven."
John: "Ik stak beide handen in mijn broekzak en halverwege de stoep maakte ik linksomkeert, schopte zachtjes een steentje voor me uit en liep heel rustig en onverschillig van de groep weg. Van binnen voelde ik een enorme spanning. Wanneer zal ik de klauw van een bewaker in mijn nek voelen? Er gebeurde niets. Toen ging ik de hoek om."
Onderweg
John ging naar vrienden van zijn ouders. Die hielpen hem een onderduikadres vinden in Tienray (Limburg). In de trein daar naartoe ging het nog bijna mis. Een heel jong kindje dat ook naar een onderduikadres werd gebracht riep steeds met een sterk jiddisch accent: "Oi weer een koe!" Een man die een Duitse krant zat te lezen keek vreemd op. Maar hij zei niets en John kwam veilig aan.
Onderduiken
John woonde lang op een boerderij in de buurt van Swolgen. In augustus 1944 willen zijn pleegouders hem wegsturen. Er is verraad geweest en de pleegouders van John zijn bang. Zijn pleegvader wil hem niet aan zijn lot overlaten en brengt hem naar een vervallen bouwkeet op zijn land. Hij zit daar een maand helemaal alleen. 's Avonds krijgt hij te eten. Verder is er niks te doen.
Na de oorlog
De ouders en broer van John zijn tijdens de oorlog omgekomen. Hij gaat bij zijn tante wonen. Het eerste officiële document dat hij van de Nederlandse staat ontvangt is een brief van de belastingdienst. Hij moet nog belasting betalen over de banketbakkerszaak over het jaar 1943, het jaar dat zijn vader is weggevoerd.