Hij gaat diezelfde dag nog naar de Schouwburg. De buurman probeert Salo nog te verstoppen, maar hij wordt diezelfde dag nog opgepakt en naar zijn ouders gebracht.
In de Schouwburg
Als hij in de Schouwburg aankomt ziet hij zijn ouders op het podium staan. Maar hij mag niet naar ze toe en wordt meteen naar de crèche gebracht.
In de crèche
Salo is ontroostbaar. Drie dagen achter elkaar huilt hij. Zelfs de directrice kan hem niet gerust stellen.
De vlucht
Een van de mannen van de Joodse Raad neemt contact met zijn oom op. Het enige wat Salo zich nog herinnert is dat die man hem 's avonds laat uit bed haalde, op zijn schouders zette en wegliep.
Onderweg
Salo hoopt dat hij eindelijk rust krijgt. Maar hij blijft maar een dag bij zijn oom en tante. Het is er te gevaarlijk. Hij reist naar verschillende adressen. Hij vindt het eng om onderweg te zijn. "Je ging naar het onbekende, waar je steeds weer met nieuwe, vreemde mensen moest omgaan."
Onderduiken
Het langst blijft hij bij de familie Heddema in Friesland. Zijn naam wordt veranderd in Japje Mulder. Hij moet zijn naam vergeten. "Dat deed ik, maar ik vergat nog veel meer: wie mijn ouders waren, wanneer ik geboren was. Mijn hele identiteit gaf ik op." Hij wordt daar bijna ontdekt en moet naar een nieuw adres worden gebracht in Ureterp.
Na de oorlog
Zijn ouders zijn beiden vergast in Auschwitz. Na de oorlog wordt hij door een tante meegenomen naar Amsterdam. Hij mist zijn Friese pleegouders en voelt zich in het begin meer een Fries, dan een Amsterdammer. Met zijn pleegouders uit de oorlog heeft hij tot hun dood contact gehouden.