Begin december 1944 waren twee miljoen Nederlanders bevrijd, namelijk de bewoners van de gebieden ten zuiden van de grote rivieren en ten westen van de Maas. Het nog bezette deel van Limburg, met Roermond en Venlo, zou pas begin maart 1945 worden bevrijd.
In Zeeland was Schouwen nog bezet. Nijmegen (Gelderland) was bevrijd, maar het bleef een 'frontstad'. Noord-Brabant was helemaal bevrijd, met uitzondering van een Duits bruggenhoofd bij Capelse Veer (aan de Bergse Maas, ten noordwesten van Waalwijk).
Militair Gezag (MG)
Het bevrijde Zuiden bleef voorlopig frontgebied. Mannen in uniform maakten er de dienst uit: geallieerden en Nederlanders. Het was de tijd van het Militair Gezag (MG) en de onder dit MG geldende Staat van Beleg (militaire uitzonderingstoestand). Het MG was al eind 1943 in Londen opgezet. Chef-staf generaal H.J. Kruls had de leiding.
Taken van het MG waren: In het bevrijde Nederland orde en rust handhaven, contact onderhouden met de geallieerde bevrijdingsmacht, bemiddelend optreden bij problemen tuseen geallieerden en Nederlanders, de zuivering op gang brengen (dat wil zeggen NSB'ers arresteren) en een begin maken met het herstel van Nederland.
Voor het MG was de Ordedienst (OD) de betrouwbaarste verzetsorganisatie. De OD was immers speciaal opgericht om te voorkomen dat er tussen bezet en bevrijd een wanordelijk machtsvacuüm zou zijn.