Verzetsman Carel Steensma maakt een kerstboompje in de Weteringschans-gevangenis in Amsterdam van het karton dat het raam verduistert.
![]() |
Schotwond
In de gevangenis maakt hij het kerstboompje. Hij snijdt de kartonreepjes van het karton dat het raam verduistert met een op de vloer scherp geslepen vork. De sneeuw komt van het verband om zijn schotwond en de versiering van de zilverfolie van medicijnpoeders. Overdag wordt het boompje verstopt. Op kerstavond 1941 wordt er in de cel bij gezongen. Al snel zingen de gevangenen uit alle andere cellen mee.
Kampen overleefd
Steensma heeft verschillende concentratiekampen overleefd waaronder kamp Natzweiler. Daar wordt zijn been zonder narcose door een medegevangene - een chirurg - in het geheim afgezet. In het najaar van 1944 is Steensma in een dodenwagon naar Dachau vervoerd; hij lijkt dood maar leeft nog. Doordat hij iemands aandacht weet te trekken wordt hij tussen de lijken vandaan gehaald. Steensma wordt in de ziekenboeg verstopt en overleeft de oorlog.
Achtergrond
Bijna 20.000 Nederlanders worden vanwege verzetswerk door de Duitsers opgepakt. Tweeduizend verzetsmensen worden geëxecuteerd. Anderen krijgen een tuchthuisstraf of worden naar een concentratiekamp gestuurd.
In Nederland zijn er kampen in Schoorl, Amersfoort, Ommen en Vught. De meeste Nederlandse gevangenen komen uiteindelijk terecht in de Duitse kampen Buchenwald, Mauthausen, Neuengamme, Sachsenhausen of Dachau. De vrouwelijke gevangenen gaan naar kamp Ravensbrück.
Het verblijf in Duitse gevangenschap is zwaar. Eenzame opsluiting, mishandeling en ondervoeding behoren tot het dagelijkse regime. Enkele duizenden Nederlandse verzetsmensen overleven hun gevangenschap niet.