Tolly Thijssen doet verzetswerk op West-Java voor de jongerengroep van Joop ’t Hart. Hij verzamelt wapens en verstopt ze in een holle mangaboom voor zijn huis. In juni 1942 wordt hij door de Kempeitai opgepakt en verhoord.
Tolly houdt vol dat hij onschuldig is. Na drie maanden komt hij vrij. Hij besluit de andere leden van zijn groep te helpen in de Soekamiskin-gevangenis in Bandoeng.
'Via de cipier kreeg ik briefjes van ze, waarin ze vroegen om geld, eten of medicijnen. Daar zorgde ik voor. Ik maakte ook briefjes, die ze voor ontvangst van de spullen moesten ondertekenen. Daarop stond een gestempelde slang. Ik werd daarom ‘snake’ genoemd.”'