“We moesten ons uitkleden. Ons haar werd geschoren. Er werd een nummer in onze arm getatoeëerd. We sliepen in barakken. We werkten in ploegen. Twee keer per dag hadden we appel. We werden behandeld als beesten, erger nog. Al gauw hadden we geen besef meer van tijd. We leefden in een roes van honger, uitputting en angst. Ik had een enorme levensdrang en besloot vol te houden.”