“Ik werd heel ziek en lag in de ziekenbarak. Daar werd ik op een dag wakker. Het was heel stil. Het bleek dat de SS bijna alle gevangenen had meegenomen, op de vlucht voor de geallieerden. Er waren maar een paar honderd gevangenen achtergebleven, onder wie Mutti en ik.
De dagen die volgden waren onwerkelijk. Zouden de SS-ers terugkomen? Toen stond er opeens een grote man bij de poort, bedekt met berenhuid. De Russen waren gekomen! De Russische bevrijders waren fantastisch. Ze deelden hun maaltijden met ons en wij zaten om hun kampvuur. Er werd nog wel gevochten, maar de doodsangst was geweken.
Mutti en ik vertrokken naar het hoofd-Lager van Auschwitz, waar de mannen waren. Ik strompelde voort en verlangde naar Vati en Heinz. De hoop op het weerzien gaf me de kracht om verder te gaan. Maar in het hoofd-Lager hoorden we waar we zo bang voor waren. Vati en Heinz waren met een van de laatste dodenmarsen weggevoerd. Mutti en ik troostten elkaar. Misschien hadden ze het overleefd.”