“Mutti en ik werden ondergebracht in Amsterdam-Zuid. Vati en Heinz kwamen tegen betaling terecht op een zolder in Soestdijk. Ik bracht voortaan alle dagen met mijn moeder door; dagen vol warmte en liefde. Soms, heel soms, gingen we een weekend bij Vati en Heinz op bezoek. Dan reisden we zonder jodenster op onze jas. Dat was heel gevaarlijk, maar we deden het toch.
Het onderduiken vergde veel van Vati. Hij was altijd een actieve zakenman geweest. Nu moest hij andere manieren vinden om zijn energie kwijt te kunnen. Hij begon te schilderen; portretten en landschappen. Als wij op bezoek waren ging Mutti voor hem poseren.
Vati ging ook dichten. Met een verlegen glimlach las hij ons zijn gedichten voor. We kenden deze creatieve en gevoelige kant van Vati niet. Het werd wel duidelijk van wie Heinz zijn gaven had. Hij hongerde naar kennis; las veel en leerde zichzelf Italiaans. Hij schreef gedichten vol betekenis én hij bleek een getalenteerd schilder. Ik vond zijn schilderijen prachtig.”