“In juni 1945 kwamen Mutti en ik aan in Amsterdam. We hadden nog geen nieuws van Vati en Heinz. In juli keerden we terug naar onze oude woning. Het was vreemd om terug te zijn. Alles zag er nog hetzelfde uit.
We kregen bezoek van Otto Frank. Hij wilde weten of wij iets konden vertellen over zijn dochters, Margot en Anne. Hij was diep ongelukkig. Op 8 augustus 1945 ontvingen we een brief van het Rode Kruis. Er stond in dat Heinz in april 1945 in Mauthausen van uitputting was gestorven. Vati stierf drie dagen voor het einde van de oorlog.
In dezelfde periode hoorde Otto Frank dat zijn dochters in het kamp Bergen-Belsen aan tyfus waren overleden. Al onze hoop was vervlogen. Op een dag kwam Otto langs met het dagboek dat Anne had geschreven. Hij las passages voor en werd overmand door emoties.
Niet veel later herinnerde ik me de woorden van Heinz in de trein naar Auschwitz. De schilderijen! Mutti en ik reisden naar Soestdijk. Onder de planken zoldervloer vonden we dertig schilderijen met een briefje erbij. Voorzichtig haalden we ze tevoorschijn. Ik werd overvallen door dankbaarheid dat Vati en Heinz ons dit hadden nagelaten.”