“Mutti en ik leefden twee jaar op ons onderduikadres in een schijnbaar beschermde wereld. Maar toen de Gestapo langskwam werd het te gevaarlijk. We moesten vertrekken. Met hulp van het verzet vonden we een nieuw adres, bij de familie Reitsma. Ook Vati en Heinz kregen het moeilijk. Hun hospita, mevrouw De Bruin, werd vijandig en begon steeds meer geld te vragen. Ze chanteerde ons.
Een niet-joodse vriendin van Mutti vond een nieuw onderduikadres voor Vati en Heinz in Amsterdam. We waren blij dat we weer bij elkaar in de buurt zaten. Maar het ging mis. Op 11 mei 1944 was ik vroeg wakker. Ik was jarig. Mutti en ik ontbeten met de Reitsma's. We werden opgeschrikt door de bel. We waren verraden.
De Gestapo stormde binnen, hun geweren op ons gericht. We werden naar het hoofdkwartier gebracht. Daar moesten we uren wachten. Een voor een werden we verhoord. 'Vertel ons alles wat je weet. Dan mag je je moeder weer zien. En je vader en je broer.' Die waren dus ook opgepakt..! 'Als je niet met ons meewerkt, martelen we je broer dood.' Ik werd geslagen. Het was geen nachtmerrie. Het was echt. Het was mijn vijftiende verjaardag.”