Aanslag op generaal Seyffardt

Vanaf begin 1943 liet het verzet nadrukkelijk van zich horen. Er vonden een reeks overvallen en aanslagen plaats. Op 5 februari 1943 werd generaal Seyffardt in de deuropening van zijn huis in Den Haag neergeschoten door een lid van de verzetsgroep CS-6.

De Nederlander Seyffardt wierf Nederlandse vrijwilligers voor het Oostfront. Hij was dus een duidelijk voorbeeld van een collaborateur. Daar kwam bij dat het er toen even op leek dat Mussert echt als 'Leider van het Nederlandse volk' zou gaan optreden, en dat Seyffardt dan Musserts minister van Oorlog zou worden.

Razzia's
Bij de aanslag raakte Seyffardt dodelijk gewond, maar hij kon toch nog een soort signalement doorgeven ('twee studenten'). Seyffardt stierf op zaterdagavond 6 februari 1943. De bezetter beantwoordde de aanslag met grote razzia's. In totaal 1800 jongemannen tussen de achttien en vijfentwintig jaar, waaronder ruim 600 studenten, werden afgevoerd naar het concentratiekamp Vught. Dit gebeurde om de daders op te sporen, uit wraak en ter afschrikking. Het vooruitzicht van de gevangenen was: de arbeidsinzet in Duitsland.

De eerste razzia naar aanleiding van de moord op generaal Seyffardt vond plaats op zaterdag 6 februari 1943. In de bibliotheken van de universiteiten en hogescholen in Amsterdam, Delft, Utrecht en Wageningen werden zeshonderd studenten opgepakt. De daders van de aanslag waren er overigens niet bij.

Bij de tweede razzia, dinsdag 9 februari 1943, hadden de nazi's het gemunt op 'vijfduizend plutocratenzonen rijkeluiszoontjes die aan het lanterfanten zijn, terwijl het beste deel van de Nederlandse jeugd zijn leven geeft voor Europa'. (Met die jeugd werden de jonge Oostfront-vrijwilligers bedoeld.)

Maar de Duitse politie kon op de dag van de razzia al die 'plutocratenzonen' niet zo gauw vinden. Daarom werden lukraak jongemannen tussen de achttien en vijfentwintig jaar opgepakt, zoals kantoormensen en ook weer een aantal studenten. Het werden er ook geen vijfduizend, maar veel minder: twaalfhonderd.

Studenten
De meeste van alle opgepakte studenten (van 6 en 9 februari) konden uit het concentratiekamp Vught terug naar huis, nadat ze een soort verklaring van loyaliteit aan de bezetter hadden getekend. De Delftse studenten werden nog vastgehouden. Dat was om te onderzoeken of ze iets te maken hadden met een verzetsgroep die net was opgerold, de sabotagegroep van de Delftse scheikundestudent W. Pahud de Mortanges.

Binnen het verzet waren de meningen over de aanslag op Seyffardt sterk verdeeld. De verzetskrant Trouw keurde deze 'politieke moord' af. Andere verzetskranten schreven dat 'de landverrader' Seyffardt zijn verdiende loon had gekregen. De daders van de aanslag waren Jan Verleun (CS-6) en de arts Gerrit Kastein (CPN). Kastein had bij Seyffardt aangebeld, Verleun had geschoten.

Anton van der Waals
Op zondag 7 februari pleegde Gerrit Kastein een aanslag op de NSB'er mr. H. Reydon, de secretaris-generaal van het departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Hij deed dat met medeweten van een 'betrouwbare verzetsman', Anton van der Waals. Alleen, Van der Waals was helemaal geen verzetsman, maar een infiltrant en de gevaarlijkste V-man (Vertrauensmann) van de Duitse opsporing.

Het 'spel' dat Van der Waals met Kastein speelde werd doorkruist door de arrestatie van Kastein. De rechercheurs die die arrestatie verrichtten wisten van dat hele spel niets af. (De Duitse politiediensten werkten lang niet altijd samen, integendeel). Kastein werd overgebracht naar het hoofdkwartier van de Sipo (Sicherheitspolizei) op het Binnenhof in Den Haag. Daar pleegde hij zelfmoord, door uit het raam van een bovenverdieping te springen. Hij wilde voorkomen dat hij onder marteling zou doorslaan.