De April-meistakingen

Eind april 1943 braken overal in Nederland proteststakingen uit, spontaan en volkomen onverwacht. De aanleiding tot die stakingen was een oproep van de bezetter: dat de voormalige Nederlandse militairen alsnog in krijgsgevangenschap in Duitsland moesten. Ze zouden daar moeten werken in de arbeidsinzet.

De 'April-meistakingen' duurden plaatselijk voort tot 5-6 mei 1943. Ze werden met grof geweld onderdrukt; het eerst in Hengelo, waar de stakingen waren begonnen.

Stakingen als keerpunt
De April-meistakingen gelden als keerpunt in de bezetting. De Duitsers wisten nu dat de Nederlanders met geen mogelijkheid meer voor hun zaak te winnen waren. Voor de nazi's draaide alles verder alleen nog maar om de oorlogvoering. Het verzet nam toe, en het grote onderduiken begon.

Dit keerpunt in de bezetting van Nederland volgde op een keerpunt in de Tweede Wereldoorlog als geheel: de Duitse nederlaag bij Stalingrad, aan de Wolga. Die nederlaag bleef geen geheim. Meteen erna, op 3 februari 1943, was door de nazi's in Duitsland en de bezette gebieden een periode van drie dagen openbare rouw afgekondigd.

Oproep aan voormalig leger
Op 29 april 1943 verscheen er plotseling in de dagbladen een oproep van de opperbevelhebber van de Duitse bezettingstroepen in Nederland, generaal Christiansen, aan bijna 300.000 leden van het voormalige Nederlandse leger. Ze zouden allemaal in Duitse krijgsgevangenschap moeten. De bezetters zagen twee voordelen in die maatregel: a) Duitsland arbeidskrachten bezorgen en b) Nederland ontdoen van weerbare mannen die het verzet konden versterken.

Stakingen en politiestandrecht
De oproep van Christiansen sloeg in als een bom. In Twente, het eerst in Hengelo, bij de machinefabriek van Stork, braken onmiddellijk proteststakingen en demonstraties uit. Het Twentse voorbeeld vond bijna overal in Nederland navolging. Op een aantal plaatsen staakten melkveehouders de levering van melk aan de zuivelfabriek, en deelden ze de melk gratis uit (vanwege dat melk-aspect heten de April-Meistakingen ook wel de Melkstaking).

De opperste politiechef in Nederland, de SS'er Rauter, kondigde het politiestandrecht af. Dat politiestandrecht had weinig met recht te maken. Het was een terreur-maatregel, waarbij 'verdachten' meteen, zonder vorm van proces, werden doodgeschoten. Van Groningen tot Limburg werden stakers gearresteerd. Er vielen in totaal bijna tweehonderd doden, bij standrechtelijke executies en bij beschietingen op straat.

In Amsterdam werd in die dagen één man, Hendrikus Hendrik van der Meer ter dood veroordeeld wegens verspreiding van stakingsoproepen, maar gestaakt werd er nauwelijks. De Amsterdammers herinnerden zich nog maar al te goed de bloedige onderdrukking van de Februaristaking in 1941. Na de April-meistakingen wist men ook in de rest van het land wat nazi-terreur inhield.

Plan bezetter mislukt
Van het plan van de bezetters met de militairen kwam weinig terecht; het had vooral een averechts effect. Er werden 8.000 Nederlandse ex-militairen in Duitsland tewerkgesteld, dus veel minder dan de bedoeling was. Talrijke militairen verkregen vrijstelling van de arbeidsinzet, op grond van verklaringen van 'onmisbaarheid bij werk dat van belang is voor de oorlogvoering' ('kriegswichtig' luidde de Duitse term). Veel van de ex-militairen doken onder.

Radio's inleveren
Volgens de nazi's waren de stakers van eind april-begin mei 1943 'opgehitst' door de uitzendingen van Radio Oranje in Londen. Op 13 mei 1943 kregen de Nederlanders te horen dat ze hun radio's moesten inleveren. 'Na de oorlog' kon men het toestel dan weer komen ophalen. Wie zijn radio achterhield, riskeerde een zware straf: het concentratiekamp.

Toch werd een kwart van alle radio's door de burgers achtergehouden; een truc daarbij was het inleveren van een tweede, oude radio. De radiobezitters bleven de uitzendingen van Radio Oranje (de Nederlandse omroep in Londen) en de BBC volgen, voorzover de herrie van stoorzenders dat tenminste toeliet.

Het gelijkgeschakelde 'Hilversum' bleef uitzenden, al was het aantal luisteraars flink afgenomen. Officieel waren er na mei 1943 nog twee groepen luisteraars: radiobezitters met een speciale vergunning, en de mensen met een abonnement op de 'radiodistributie' (kabelradio). Het aantal illegale nieuwsbulletins nam vanaf 1943 enorm toe, maar de grote nieuwshonger kon daar niet mee worden gestild.