Jodenvervolging in Nederland, isolering

Nederland telde in 1940 ongeveer 160.000 joodse inwoners. Daaronder waren 140.000 Nederlanders. Verder waren er 16.000 uitgeweken/gevluchte Duitse en 2.000 Poolse joden. Ruim de helft van alle joden woonde in Amsterdam ('Mokum'), twintigduizend in Den Haag, de overige verspreid over Nederland.

Anti-joodse maatregelen
De nazi's waren in Duitsland in 1933 met hun anti-joodse politiek begonnen. In Nederland begonnen ze er in 1940 mee; een van de eerste maatregelen op dit gebied was het ontslag van de joodse ambtenaren, in november.

In 1941 werd de anti-joodse politiek stap voor stap voortgezet, waarbij de nazi's rekening hielden met de Nederlandse verhoudingen en gebruik maakten van de mogelijkheden die het goed-geregelde Nederland bood. Het eerste doel van de anti-joodse maatregelen was: de joden zoveel mogelijk afzonderen van de rest van de bevolking (isolering).

Om te beginnen moest er een administratieve scheiding tussen joden en niet-joden worden aangebracht. De persoonsgegevens van de joden moesten in een apart kaartsysteem worden vastgelegd (registratie).

Identificatieplicht
Verder moest de politie bij aanhoudingen en razzia's meteen kunnen vaststellen of de aangehouden personen joods waren of niet. Hiervoor waren nodig: een eenvoudige identificatiemogelijkheid en - uiteraard - identificatieplicht voor iedereen.

Die identificatiemogelijkheid werd in 1941 gerealiseerd met de invoering van het persoonsbewijs. Voor de niet-joden kwam er een 'gewoon' persoonsbewijs, voor de joden een persoonsbewijs met een grote J erop gestempeld. Met het persoonsbewijs werd de controle op de naleving van de maatregelen ter beperking van de bewegingsvrijheid van de joden zeer vergemakkelijkt.

Rechteloos
Het uitgangspunt van de nazi's was dat de joden rechteloos waren, en hoorden te zijn. Daarmee was het bestaan van de joden in Nederland (net als in de rest van het nazi-rijk) als het ware een gunst van de nazi's geworden. De nazi-tactiek was om de joden de illusie te geven dat ze, ondanks de toenemende beperkingen en verboden, toch nog altijd rechten hadden.

Een instrument om die illusie gaande te houden was het in 1941 ingestelde 'eigen joodse bestuur', de Joodse Raad, een organisatie die sociaal en cultureel werk werk ging doen en die een 'eigen krant' ging uitgeven, Het Joodse Weekblad. Dit blad belichtte allerlei aspecten van het joodse leven, alsof er niets aan de hand was, maar het bevatte ook de nieuwste anti-joodse maatregelen en bedreigingen.

Verder kwamen er 'eigen joodse theaters', zoals in Amsterdam de Joodse Schouwburg, voorheen de Hollandsche Schouwburg. Maar alle andere theaters waren voor joden verboden, evenals bioscopen, café's behalve de zogeheten 'joods lokalen', dierentuinen, sportvelden, parken, musea, bibliotheken en openbare bijeenkomsten.

Joodse marktkooplieden mochten alleen nog op joodse markten werken (vanaf het najaar van 1941). Joodse leerlingen mochten uitsluitend naar joodse scholen (idem). Reizen buiten de eigen woonplaats zonder speciale vergunning werd de joden verboden. De nazi-overheid ging ook bepalen waar joden nog wel, en niet meer mochten wonen.

Om de oude joodse buurt van Amsterdam waren borden geplaatst met het opschrift 'Joodse Wijk' en er kwamen prikkeldraadversperringen, zodat de buurt het aanzien kreeg van een afgesloten getto (wat het overigens niet was, er woonden ook veel niet-joden, en meestal kon iedereen er in- en uitlopen).

Neurenberger rassenwetten
Vanaf 23 maart 1942 golden in Nederland de 'Neurenberger rassenwetten' (in Duitsland vanaf 1935). Er mochten geen huwelijken meer worden gesloten tussen joden en niet-joden (de zogeheten gemengde huwelijken). Rijkscommissaris Seyss-Inquart had de invoering van de rassenwetten steeds uitgesteld, vanwege te verwachten onrust.

Om een voorbeeld te stellen werden nu vijftig joden (20 vrouwen en 30 mannen) gearresteerd, die blijkens het ondertrouw-register een gemengd huwelijk wilden sluiten. Ze werden op beschuldiging van 'Rassenschande' naar concentratiekampen gestuurd. Op één vrouw na overleefde geen van die vijftig het kamp.