De jodenster (1942)

Met ingang van zondag 3 mei 1942 moesten alle joden in Nederland een kenteken van geel katoen op hun kleding dragen: de zespuntige 'jodenster' (vastgenaaid, niet opgespeld). De maatregel gold voor volwassenen èn kinderen. Alleen kinderen jonger dan zes jaar mochten zonder ster. In het midden van het kenteken stond het woord 'Jood', in zwarte, pseudo-hebreeuwse letters. Het had de vorm van de Davidster (sinds de negentiende eeuw een bekend joodse symbool).

Vanaf het najaar van 1940 waren de Nederlandse joden stap voor stap geïsoleerd van de rest van de bevolking. Met de invoering van de gele ster werd dat isolement compleet. In de zomer van 1942 begonnen de deportaties naar de vernietigingskampen.

De jodenster is bijna overal in het nazi-rijk ingevoerd, van het westen tot het Oostfront. Het eerst in Polen, Tsjechoslowakije en Duitsland (1941). Alleen niet in Finland (bondgenoot van Duitsland), Noorwegen (bezet gebied), Denemarken (idem) en Vichy-Frankrijk.

Invoering in 1942
In Nederland werd de invoering van de ster in de avondbladen van woensdag 29 april 1942 aangekondigd. De Joodse Raad, het in 1941 ingestelde 'eigen joodse bestuur', zou de sterren verspreiden. Woensdagmiddag hadden de twee voorzitters van de Joodse Raad, Asscher en Cohen, van de SS'er F.H. Aus der Fünten het nieuws te horen gekregen. Volgens een Duits verslag waren de twee in eerste instantie 'geheel sprakeloos'. Maar ze werkten mee.

Personeel van de Joodse Raad maakte overuren om de voorraad sterren te verpakken. De sterren, 569.355 in totaal, moesten in afgetelde porties worden verzonden naar de diverse bureaus van de Joodse Raad, binnen en buiten Amsterdam.

Herkomst sterren
Ze waren gemaakt door de Enschedese textielfabriek De Nijverheid. Dit joodse familiebedrijf werkte, zoals dat toen ging, onder een arische Verwalter, een niet-joodse zaakwaarnemer, in dit geval een Duitser. De herkomst van de sterren is overigens pas in 1997 aan het licht gekomen, bij een door het Joods Historisch Museum ingesteld onderzoek. Eerder werd verondersteld dat ze in Polen waren geproduceerd.

Voor iedere jood waren er vier sterren. Ze kostten 4 cent per stuk, bovendien moest voor elke vier sterren een distributiebon ('textielpunt') worden ingeleverd. Op niet-dragen van de ster stond een straf van 'zes maanden hechtenis of duizend gulden boete'. Iedereen begreep wel dat die 'hechtenis' waarschijnlijk betekende: de dood in een Duits kamp.

Op zondag 3 mei werd duidelijk dat de nazi's hun zin hadden gekregen. Controle op naleving was gemakkelijk, joden hadden immers het stempel 'J' in hun persoonsbewijs staan. Sommige joden droegen de ster 'met trots'. Andere maakten er grappen over; de Jodenbreestraat in Amsterdam heette vanwege al die sterren even de Melkweg.

Protest en medeleven
Op 1 mei (Dag van de Arbeid) 1942 had de groep rond de revolutionair-socialistische verzetskrant De Vonk in Amsterdam een gedurfde protestactie uitgevoerd: ze verspreidde 300.000 biljetjes waarop een ster en de tekst 'Jood en niet-Jood één in strijd!'. Een heleboel van die biljetjes liet men vanaf het Bijenkorf-gebouw neerdwarrelen op het Damrak.

In het begin waren er, tot woede van de nazi-aanhangers, vrij veel blijken van medeleven met de joden. In Deventer bijvoorbeeld kwamen maandagochtend 4 mei 1942 grote groepen leerlingen met nagemaakte jodensterren op hun kleding naar school. Twintig leerlingen, van de Landbouwschool, werden gearresteerd; ze zaten vervolgens twee weken in het concentratiekamp Amersfoort, waar ze 'vermagerd en uitgeput' weer uitkwamen.

Een Gelderse dagboekschrijfster noteerde op zondag 3 mei 1942:
'Joop kwam vanmorgen met een zgn. Jodenster op in de kerk. Ik was bang dat er te veel op t spel werd gezet. Wil voor mijn overtuiging desnoods de bak ingaan ... Als iedereen het deed, kon het indruk maken, maar t zijn er maar weinig. s Avonds vertelde hij al dat hij die ster middags had afgedaan omdat er al een kleindochter van Dr Lugtenburg voor gearresteerd was. t Is moeilijk om te weten wat je doen moet'.