Verduistering

Maatregel tegen de nachtelijke luchtoorlog. Verduisterde steden konden niet meer dienen als oriëntatiepunt voor piloten; militaire doelen bleven onzichtbaar.

Tijdens de verduistering bleef de straatverlichting gedoofd, vervoermiddelen waren alleen zwak verlicht, op straat mocht nog geen kiertje licht uit de huizen zichtbaar zijn. In Nederland voor het eerst toegepast in de nacht van 10 op 11 mei 1940. Op de naleving van de verduisteringsmaatregelen werd toegezien door de Luchtbeschermingsdienst.

De verduisteringsmaatregelen bleven de hele oorlog door gehandhaafd. Er was geen straatverlichting en geen lichtreclame, en nergens zag je fel schijnende koplampen. Vervoermiddelen, fietsen inbegrepen, mochten in 1940-1945 alleen flauw, afgeschermd licht voeren. Soms waren er toch felle lichten te zien - de zoeklichten van de luchtafweer, die aanflitsten wanneer de sirenes van het luchtalarm klonken (op vliegtuigen die in de lichtbundels gevangen werden werd gevuurd door luchtdoelgeschut).

Gordijnen, knijpkatten en ongelukken
Iedere burger had de plicht thuis alle vensters af te schermen, met overgordijnen, zwarte verduisterinsgordijnen of stroken verduisteringspapier. Geen kiertje licht was toegestaan. Als het heel donker was - de donkere dagen voor kerstmis, geen maan, zware bewolking, mist - maakte men buiten wel gebruik van 'knijpkatten' (een knijpkat is een zaklantaarn met ingebouwd dynamo. Per kneep produceert het een bundeltje licht, plus een snorrend geluid, een beetje zoals spinnende katten).

Die duisternis kon gevaarlijk zijn. Mensen hadden soms grote moeite om veilig van hun werk thuis te komen; er deden zich verdrinkingsgevallen en andere ongelukken voor. Huisnummers werden in reusachtige witte cijfers op de gevels gekalkt (op een aantal huizen in Amsterdam zelfs nu nog zichtbaar). In oktober 1940 hadden enkele wakkere studenten het gat in de markt ontdekt: ze verhuurden zich als persoonlijk 'leidsman'.

Luchtbeschermingsdienst
De verduistering werd gecontroleerd door de Luchtbeschermingsdienst, een soort 'nachtwacht'. De leden ervan, meest vrijwilligers, hadden een speciale vergunning (Ausweis) om 's nachts over straat te gaan. Mensen zonder zo'n 'Ausweis' - bijna iedereen - moesten 's nachts binnen blijven. Dit nachtelijk uitgaansverbod gold van 12 tot 4 uur, het werd 'spertijd' genoemd. De spertijd lag niet vast.

Amsterdam
Op 1 februari 1942 bijvoorbeeld nam de bezetter strafmaatregelen tegen Amsterdam, na aanslagen van het verzet op enkele gebouwen. De Amsterdammers moesten nu vanaf acht uur binnen zijn. Ook reden er vanaf zeven uur geen trams meer. Bovendien werd een aantal Amsterdamse mannen gedwongen om 's nachts en overdag bepaalde, voor de nazi's belangrijke, gebouwen te bewaken. Na een maand werden de bijzondere maatregelen tegen Amsterdam weer opgeheven.

Onheilspellend waren de nachtritten van de Amsterdamse tram in 1943. In de schemerig verlichte trams zaten mannen, vrouwen en kinderen met een gele ster op hun kleding. Ze waren kort daarvoor uit hun huizen gehaald. Nu werden ze naar de Hollandsche Schouwburg gereden, het gebouw waar veel Amsterdamse joden die gedeporteerd zouden worden tijdelijk werden opgesloten.

Ook het transport van de Schouwburg naar de trein met bestemming kamp Westerbork ging per tram. Overigens was de tram vanaf 30 juni 1942 'verboden voor joden'. Vanaf die datum gold er voor hen ook een aparte spertijd: zij moesten vanaf 8 uur 's avonds thuis zijn.

Liedjes over verduistering
De verduistering werd een thema in het amusement. Het joodse zangduo Johnny & Jones bracht het humoristische verduisteringslied 'Maak het donker in het donker' (1940), over de aanbevelingen van de Luchtbeschermingsdienst aan de bevolking.

Een ander lied dat aan de duisternis refereerde verwierf zeer grote populariteit: 'Als op het Leidscheplein de lichtjes weer eens branden gaan' (jaar 1943, zang Willy Walden, muziek Cor Steyn, tekst Bert Meijer ofwel Jacques van Tol. Zie over het amusement in 1940-1945: 'Door de nacht klinkt een lied', van Henk van Gelder en Jacques Klöters, 1985).

In de winter van 1944-1945 werd in bezet Nederland de levering van elektrische stroom aan de burgers stopgezet. De duisternis leek nu nog dieper. De onderdrukte bevolking keek uit naar de bevrijding als naar het einde van een lange, gruwelijke nacht.