Tewerkstelling in Duitsland

(De mening van het verzet is duidelijk! Mannen moeten zich niet melden voor werk in Duitsland. Ze moeten onderduiken.)

'Nico DohmenToen ik me in mei 1943 moest melden voor de arbeidsinzet, stond vast dat ik zou onderduiken. Mijn broers en ik hadden mijn vader beloofd dat we nooit voor de vijand zouden werken. Ik dook onder in de buurt van Roermond, waar mijn oom een boerderij had. Mijn neven waren daar verwikkeld in hulpacties voor neergestorte, geallieerde piloten. Zo raakte ik betrokken bij het verzet. Ik ben ze gaan helpen en van het een kwam het ander.'
Nico Dohmen, student, Nijmegen
 
'Vrijwillig' in Duitsland werken
Al in de jaren dertig werden Nederlanders geworven voor werk in Duitsland. Tijdens de bezetting wordt de werving met kleurige affiches voortgezet. Aanvankelijk geschiedt het werken in Duitsland op vrijwillige basis. In de zomer van 1940 wordt de Opbouwdienst in het leven geroepen.
 
Met name werklozen komen voor de arbeidsinzet in aanmerking. Eind juni 1940 stelt het departement van Sociale Zaken dat gemeenten dwang mogen uitoefen; wie niet meewerkt aan uitzending kan de uitkering verliezen. (Dat was overigens ook al zo in de jaren dertig.)
 
Nederlandsche Arbeidsdienst
In mei 1941 wordt de Opbouwdienst omgevormd tot de Nederlandsche Arbeidsdienst. 'Ick dien eigen land en volk’, onder dit motto moeten jonge mannen een halfjaar werken in de Nederlandsche Arbeidsdienst. Velen van hen zijn oud-militairen. Ze werken in Nederland dus niet zoals bij de Arbeitseinsatz (‘arbeidsinzet’) in de Duitse (oorlogs)industrie.
 
Van 18 tot 35 jaar 
In mei 1943 moeten alle mannen van 18 tot 35 jaar zich melden voor de arbeidsinzet. Veel mannen melden zich niet of bemachtigen een vrijstelling. Keuringsartsen en ambtenaren helpen daarbij. De maatregel levert maar 54.000 arbeidskrachten op, in plaats van de verwachte 170.000.
 
Op 17 juni 1943 begint de 19-jarige boerenzoon Aad Ammerlaan een dagboek. 'Deze dag werden we gekeurd. Er was niets aan te veranderen. De NSB-dokter keurde zo: alles wat een normaal hoofd en armen en benen had kon naar Duitschland.'
 
Aad probeert de volgende dagen tevergeefs een vrijstelling te bemachtigen. Hij vertrekt met een aantal klasgenoten naar Tuttlingen, vlakbij de Zwitserse grens. "Vreemd om in een fabriek te werken terwijl we de vrijheid gewend zijn", schrijft hij. Het bevalt hem niet dat "alles bestemd is voor de rotmoffen". Dan ontmoet hij de berggids Elvers. Die helpt Aad met twee vrienden de grens over.
 
Van 16 tot 40 jaar 
In 1944 wordt daarom de ‘totale arbeidsinzet’ afgekondigd: mannen van 16 tot 40 jaar kunnen bij razzia’s worden opgepakt en gedeporteerd. Uiteindelijk hebben 500.000 Nederlanders onder zeer uiteenlopende omstandigheden in Duitsland gewerkt. Dit is een derde van de mannen die in aanmerking kwamen.
 
"Gaat iemand niet, dan wordt het als sabotage beschouwd. Je kunt onderduiken, maar wat gebeurt er dan met je familieleden?"
 
"Ik zou onderduiken bij mijn oom, maar toen puntje bij paaltje kwam, zou dat 25 gulden per week gaan kosten. Ik bezat niets. Dus weg naar Duitsland."
 
"Waar moest je heen zonder connecties en distributiebonnen? Op de bonnefooi naar het platteland? Illegaliteit? Waren er bureaus waar je je kon laten inschrijven? Ik haatte de moffen, maar zag geen kans om er onderuit te komen."