In onderduik

Vier korte filmportretten zijn te zien op de kindersite: klik.

Salo MullerJohn BlomFoke WatermanLiesje de Hond

‘Ik was weg uit die rare crèche, en weer veilig bij mijn oom en tante. Totdat ik zag dat mijn tante een klein koffertje inpakte. Dat was voor mij. Ik moest dezelfde avond alweer weg. Nu begon mijn tocht langs verschillende adressen.
Van Amersfoort naar Zaandijk, naar Koog aan de Zaan en naar Friesland. Ik vond het naar en eng om onderweg te zijn. Je ging naar het onbekende, waar je steeds weer met nieuwe, vreemde mensen moest omgaan.’

Salo Muller

Risico
De kinderen komen terecht in een nieuw gezin. Soms bij mensen die al kinderen hebben. Soms bij echtparen die zelf geen kinderen kunnen krijgen. Elk onderduikgezin neemt een risico. Als wordt ontdekt wat ze doen worden de pleegouders naar een concentratiekamp gestuurd.

Aanpassen
Voor de kinderen is het een grote verandering. Ze zijn weg van huis en hun familie. Ze moeten zich zo snel mogelijk aanpassen aan de nieuwe omgeving. Vaak krijgen ze een nieuwe naam, soms ook een ander geloof. Sommige kinderen moeten steeds van adres wisselen. Een deel van de kinderen heeft een goede onderduiktijd. Anderen voelen zich eenzaam en hulpeloos.

‘Ene Arie nam me mee in de trein naar Tienray in Limburg. Er was ook een klein jongetje bij van een jaar of zes, een echt stadsjongetje net als ik. Tegenover ons las een man een Duitse krant. Het jongetje was heel opgewonden van al die koeien die hij uit het raam zag, en riep steeds met een sterk jiddisch accent: 'Oi, weer een koe! Oi, weer een koe!'
De man liet af en toe zijn krant zakken en keek ons onderzoekend aan. Arie beet op zijn lip van de zenuwen. Ik bestierf het bijna.’

John Blom

‘Via de Friese verzetsman Sjoerd Wiersma ben ik in Leeuwarden gekomen. Bij een kinderloos echtpaar. Opeens moesten ze aan iedereen verklaren hoe ze aan een baby kwamen. Ze zeiden dat ik een Rotterdams evacueetje was, en hadden daarvan zelfs een vals bewijs.
Mijn achternaam werd een klein beetje veranderd, van Waterman naar Waterland. Mijn pleegouders waren dolgelukkig met me. Ik was als hun eigen, zeer gewenste, kind. Er heeft wel eens iemand gezegd 'Dat lijkt wel een joods kind'. Mensen hebben het vermoed, maar niemand heeft gepraat.’

Foke Waterman

‘Nu heette ik Liesje Koopmans. Gelukkig mocht ik mijn eigen voornaam houden. Tegen meneer en mevrouw Koopmans zei ik ‘oom’ en ‘tante’. Een paar keer kreeg ik een kaartje van mijn moeder uit Westerbork.
Alsmaar vroeg ik: 'Hoe lang duurt het nog voordat ze terugkomt?' 'Vast gauw', werd er dan geantwoord. Naast mijn bedje stond een foto van mijn moeder. Elke avond zei mijn pleegmoeder tegen mij: 'Je moeder komt weer terug en geef haar nu maar een kusje.''

Liesje de Hond