Onderweg

‘Ik was weg uit die rare crèche, en weer veilig bij mijn oom en tante. Totdat ik zag dat mijn tante een klein koffertje inpakte. Dat was voor mij. Ik moest dezelfde avond alweer weg. Nu begon mijn tocht langs verschillende adressen.
Van Amersfoort naar Zaandijk, naar Koog aan de Zaan en naar Friesland. Ik vond het naar en eng om onderweg te zijn. Je ging naar het onbekende, waar je steeds weer met nieuwe, vreemde mensen moest omgaan.’

Salo Muller

Met de trein
De reis naar het onderduikadres in Friesland of Limburg gaat met de trein. Het zijn meestal vrouwen die de kinderen wegbrengen. Een vrouw met één of meer kinderen valt niet zo op. En de Duitse bezetters controleren vrouwen minder vaak.

Mond houden!
Voor de meeste kinderen is de treinreis een grote belevenis. Ze zijn nog nooit de stad uit geweest. Anderen zijn vooral bang. Ze mogen niet praten over hun ouders, vriendjes of de crèche. Ze mogen tijdens de reis niets zeggen of doen waardoor ze opvallen. Een joodse naam kan ze al verraden!

De oudere kinderen wordt verteld wat er aan de hand is. Ze begrijpen dat ze hun mond moeten houden. Aan kleine kinderen, die dat niet begrijpen, wordt juist niets verteld.

‘Ene Arie nam me mee in de trein naar Tienray in Limburg. Er was ook een klein jongetje bij van een jaar of zes, een echt stadsjongetje net als ik. Tegenover ons las een man een Duitse krant. Het jongetje was heel opgewonden van al die koeien die hij uit het raam zag, en riep steeds met een sterk jiddisch accent: 'Oi, weer een koe! Oi, weer een koe!'
De man liet af en toe zijn krant zakken en keek ons onderzoekend aan. Arie beet op zijn lip van de zenuwen. Ik bestierf het bijna.’
John Blom