Verzetsgroepen

‘De dilemma's van die ouders waren vreselijk. Wij wisten zeker dat hun de vernietigingskampen wachtten, terwijl zij dachten dat ze naar een werkkamp gingen. Zij wilden hun gezin bijeen houden. Soms wilden wij ze zó graag overtuigen, ompraten. Maar we hadden één principe: alleen de ouders zelf mogen kiezen.’
Piet Meerburg, leider Amsterdamse Studentengroep


Jonge mensen
De kinderen die zijn gered uit de crèche worden naar onderduikadressen gebracht. Het zijn vaak jonge mensen die dit gevaarlijke werk durven te doen. Ze zoeken het hele land af naar mensen die een joods kind in huis willen nemen.

Friesland en Limburg
Vier verschillende groepen doen dit verzetswerk. De groepen hebben elk hun eigen onderduikadressen, vooral in Friesland en Limburg. De blonde kinderen gaan zoveel mogelijk naar Friesland, de donkerharige naar Limburg. Daar vallen ze het minste op. Meer dan vierhonderd kinderen zijn door deze vier groepen gered. Ruim honderd kinderen zijn door anderen uit de crèche gehaald.


Het Utrechts Kindercomité en de Amsterdamse Studentengroep
In de zomer van 1942 zetten de Utrechtse studenten Jan Meulenbelt en Rut Matthijsen een organisatie op om joodse kinderen te laten onderduiken: het Utrechts Kindercomité. Onderduikadressen zoeken ze via hun kennissenkring in Utrecht. De kinderen komen uit Amsterdam omdat daar de meeste joden wonen.

Een vriend van Meulenbelt, Jur Haak, is student in Amsterdam. Hij betrekt zijn zuster Tineke en zijn medestudenten Piet Meerburg en Wouter van Zeytveld bij het plan. Dit viertal vormt de basis van de Amsterdamse Studentengroep. Contactpersoon tussen beide verzetsgroepen is rechtenstudente Gisela Söhnlein. Zij stemt het aanbod van kinderen uit Amsterdam af op het aantal adressen dat de Utrechtse groep kan leveren.

Kinderen gered uit de crèche: ca. 150

‘We hadden codes: U betekende urgente, UU uiterst urgente en UUUUUUUU oneindig urgente kinderen. Het was een soort beurs.’
Gisela Söhnlein, contactpersoon Utrechtse en Amsterdamse studentengroep


De NV-groep
De dertigjarige Jaap Musch in Amsterdam wil vanuit zijn gereformeerde geloof joodse kinderen helpen. Hij overtuigt zijn broer Gerard en zijn vriend Dick Groenewegen van Wijk om mee te doen. De drie mannen noemen zichzelf de NV, de Naamloze Vennootschap.

De NV-mannen komen in aanraking met de verzetsmensen Joop en Semmy Woortman. Joop Woortman is een Amsterdamse taxichauffeur die heel veel mensen kent. In januari 1943 komt Woortman in contact met Walter Süskind. Zo komt de NV-groep bij de crèche uit.

Kinderen gered uit de crèche: ca. 160


De Trouw-groep
Hester van Lennep runt een instituut voor huidverzorging op de Herengracht. Ze regelt onderduikadressen voor kinderen van haar joodse klanten. Als haar vriend Sándor Baracs – een Hongaars-joodse onderduiker – contact legt met Walter Süskind, gaat ze ook adressen zoeken voor kinderen uit de crèche.

In mei 1943 raakte de streng gereformeerde Gesina van der Molen bij hun werk betrokken. Via haar wordt het uitgebreide netwerk rond de illegale krant Trouw benut.

Kinderen gered uit de crèche: ca. 75