Verlies van kameraden: de dood van Jan Bonekamp

In het gewapend verzet krijgt iedereen te maken met de dood van kameraden. Hoe gaan de drie meiden hiermee om?

Verliefd
Hannie trekt in de verzetsgroep veel op met Jan Bonekamp. In het voorjaar van 1944 schiet Jan in korte tijd zes verraders neer. Hannie bewondert Jan om zijn lef en wordt verliefd op hem. Als hij de opdracht krijgt om de foute politiechef Willem Ragut te doden in Zaandam, neemt hij Hannie mee.

Mislukt
De actie mislukt. Jan wordt levensgevaarlijk geraakt en sterft diezelfde dag, 21 juni 1944, in het ziekenhuis aan zijn verwondingen. Hannie ontkomt, maar is door de Duitsers gezien.
 

Rood haar
Overal gaan berichten uit dat wordt gezocht naar een meisje met rood haar. Hannie duikt onder op een veilig adres. Ze verft haar rode haar zwart en gaat een bril dragen. Na een tijdje pakt ze haar verzetsactiviteiten weer op.

Depressief
Hannie kan de dood van Jan moeilijk verwerken. Ze is ontroostbaar, raakt overspannen en depressief. In een brief aan haar vriendin Philine Polak schrijft ze: ‘Mijn geestelijke toestand is nog steeds allerbedroevendst: ik kan geen boek lezen, noch roman, noch studieboek. In mijn vrije tijd brei ik een kous!! (…) Ik ben aanzienlijk minder hard dan ik gedacht had: de kennismaking met de dood is niet meegevallen.’

Risico's opzoeken
Truus: ‘Hannie was helemaal kapot. Toen ze zich weer bij de ploeg meldde was het een heel andere Han dan vroeger. Mager, met lelijk dofzwart haar en een wit vertrokken gezicht. Niemand roerde het onderwerp Jan aan. Ze wilde alleen nog maar het allergevaarlijkste werk doen. Het leek of ze de risico’s bewust opzocht. Wij spraken haar bestraffend toe: “Een verzetsstrijder doet zoiets niet!” We hebben haar echt moeten afremmen.’