eten in oorlogstijd

introductie

Gezonde voeding is in de mode: minder vlees, vet en zuivel en meer groenten. Groenten het liefst van het seizoen en voor de echte liefhebbers zelf verbouwd.

Wat nu de trend is, werd tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland noodgedwongen in praktijk gebracht. Het land moest zelfvoorzienend worden. De landbouw werd in 1940 drastisch aangepast: veeteelt maakte plaats voor akkerbouw. Het dagelijks menu bevatte veel minder vlees en vet.

De bevolking ervoer deze verandering als een verarming. Mensen hadden een hongergevoel en verloren soms gewicht. Maar toch kwam men feitelijk niets tekort. Uit later onderzoek is gebleken dat het dagelijks menu juist gezonder werd dan voor 1940. Tot aan de Hongerwinter.

Op weg naar een nieuw voedselbeleid 
De Nederlandse overheid onderzoekt al in de jaren dertig hoe de voedselvoorziening op peil kan blijven mocht er een oorlog uitbreken. Hans Hirschfeld en Stephanus Louwes spelen daarbij de hoofdrol. Hirschfeld is secretaris-generaal van het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart. Louwes is directeur-generaal van het Rijksbureau voor Voorbereiding van de Voedselvoorziening in Oorlogstijd, opgericht in 1937.

Voor de bezetting is de Nederlandse voedselindustrie afhankelijk van internationale handel. Nederland importeert veel granen, deels bestemd als voedsel voor het vee. Als Nederland in 1940 door nazi-Duitsland wordt bezet, valt de import weg en moet Nederland zelfvoorzienend worden.

De Nederlandse ministers wijken uit naar Londen. Hirschfeld en Louwes krijgen opdracht om aan te blijven en samen te werken met de bezetter, zo lang dat in het belang is van de Nederlandse bevolking. Door de landbouw te hervormen, het eten eerlijk te verdelen en voorlichting te geven, pakken Hirschfeld en Louwes het voedselbeleid van Nederland aan.

Ze krijgen hierin steun van Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart, de hoogste gezagsdrager van nazi-Duitsland in Nederland, die ook wil dat er voldoende te eten is.

Ik zal er echter naar streven, dat het met het Duitsche volk bloedverwante Nederlandsche volk niet in ongunstiger levensomstandigheden zal geraken…
Arthur Seyss-Inquart 

Hervorming
Om Nederland zelfvoorzienend te maken moet de landbouwgrond zo efficiënt mogelijk worden gebruikt. Dat betekent minder vee en meer aardappelen, granen en groenten. Het succes van het hervormingsplan van Hirschfeld en Louwes valt of staat met samenwerking van de boeren.

Hirschfeld en Louwes doen hun uiterste best om vrijwillige medewerking van de boeren te krijgen. Veehouders worden in ruil voor een premie opgeroepen om hun dieren te slachten en grasland te ‘scheuren’ (om te ploegen). Boeren krijgen ook een premie als zij bepaalde gewassen verbouwen, zoals koolzaad waaruit vet gemaakt kan worden.

De Nederlandse boeren mogen hun producten alleen leveren aan centrales van de overheid en niets zelfstandig verkopen. In ruil krijgen ze goede prijzen voor hun producten en mogen ze een deel houden voor eigen gebruik. Dankzij goede organisatie, compensatie voor de boeren, controles en campagnes wordt Nederland in korte tijd zelfvoorzienend.

Distributie
Het Rijksbureau voor Voorbereiding van de Voedselvoorziening in Oorlogstijd, onder leiding van Louwes, bereidt in de jaren dertig het distributiestelsel voor. Hiermee wordt het voedsel eerlijk over de bevolking verdeeld. Producten waar een tekort aan is, zijn alleen verkrijgbaar met een bon. De overheid stelt ook maximum verkoopprijzen vast.

In 1939 gaat suiker ‘op de bon’ om te oefenen. Het bonnensysteem blijkt goed te werken. Na de bezetting wordt de distributie op grote schaal ingevoerd. De overheid bepaalt op hoeveel voedsel iedereen recht heeft. Mensen die zwaar fysiek werk doen, ziek zijn of zwanger, hebben recht op meer eten.

Direct bij de boeren kopen is tijdens de oorlog verboden, omdat op die manier het distributiesysteem wordt omzeild. De Crisis Controle Dienst neemt illegaal gekochte producten in beslag en controleert voorraden bij de boeren.

Hoe werkt het distributiesysteem?

Winkel

  • Met bonnen en geld kan men hier producten kopen.
  • De winkelier moet alle bonnen inleveren bij het lokaal distributiekantoor.

Lokaal distributiekantoor

  • Bonnen worden hier uitgedeeld aan de bevolking. Het aantal  toegewezen bonnen wordt door de overheid vastgesteld en is afhankelijk van de productie.
  • Alle door de winkeliers ingeleverde bonnen worden hier gecontroleerd en naar het CDK gestuurd. Dit zijn elke week 60 miljoen bonnen. Er zijn in Nederland ongeveer 700 lokale distributiekantoren, waar in totaal 12.000 ambtenaren werken.

Centraal Distributiekantoor (CDK)

  • Hier wordt bepaald hoeveel producten een winkelier mag inkopen op basis van de ingeleverde bonnen.
  • Het CDK is gevestigd in Den Haag en later in Zwolle. Er  werken 1700 ambtenaren.

Boerderijen en fabrieken

  • Een winkelier mag alleen vastgestelde producten kopen bij boeren en fabrieken. Zij krijgen hiervoor een toewijzing van het Centraal Distributiekantoor.

De Crisis Controle Dienst controleert of de distributie goed wordt nageleefd.

Voorlichting
In 1941 wordt het Voorlichtingsbureau van de Voedingsraad opgericht, de voorloper van het huidige Voedingscentrum. De Voedingsraad adviseert huisvrouwen over de nieuwe samenstelling van het dagelijks menu. Naast adviezen over het bereiden van maaltijden stimuleert de Voedingsraad het plukken van planten en het zelf verbouwen van groenten, fruit en kruiden. 

Dit doet de Raad in de eerste plaats door het verkopen van folders. Verder geeft de Voedingsraad kookdemonstraties, lezingen, cursussen en worden campagnes en tentoonstellingen georganiseerd. In enkele steden worden winkels geopend waar huisvrouwen informatie kunnen vragen.

In 1941 en 1942 verkoopt de Voedingsraad twee miljoen folders met recepten en adviezen. Een enorme hoeveelheid op een bevolking van negen miljoen mensen.