Ga direct naar de hoofdnavigatie Ga naar de hoofdinhoud Ga direct naar de hoofdnavigatie Ga direct naar zoeken

In Memoriam Max van den Berg

We zijn verdrietig dat de laatst nog levende medeoprichter van het Verzetsmuseum, Max van den Berg, is overleden. Max bleef tot op zeer hoge leeftijd bij het Verzetsmuseum betrokken. Hij overleed op 27 mei op 95-jarige leeftijd.

In zijn memoires Tegenwicht schreef Max hoe hij in het voorjaar van 1983 met CPN-kamerlid Joop Wolff, diens vrouw Catrien, oud-Spanjestrijder en lid van het Amsterdamse 4 en mei-comité Karel Neyssel en Bram IJzerman, die als Joodse onderduiker de oorlog overleefde, de oprichting van een verzetsmuseum besprak.  Een jaar later werd een stichting opgericht die tot doel had: “de oprichting en instandhouding van een museum gewijd aan verzet tegen nationaal-socialisme en fascisme”.  Max werd lid van het bestuur. Al anderhalf jaar later opende het museum zijn deuren in de Lekstraat-synagoge in de Rivierenbuurt.

Max bleef een zeer gewaardeerd en actief bestuurslid tot het museum in 1999 open ging op een nieuwe locatie: in gebouw Plancius aan de Plantage Kerklaan, waar het ook nu nog is gevestigd. Ook daar bleef Max het museum met raad en daad terzijde staan. Hij die zelf de oorlog als kind intensief had meegemaakt, adviseerde bijvoorbeeld over de inrichting van Verzetsmuseum Junior dat open ging in nieuwbouw achter het museum in 2013. Zijn enthousiasme en steun waren stimulerend en inspirerend  voor de medewerkers van een jongere generatie.

Max bleef een communist in hart en nieren, al had hij zeker oog gekregen voor het dictatoriale karakter van de Sovjet-Unie onder Stalin en daar afstand van genomen.  Soms botsten zijn opvattingen met die van de professionals in het museum. Max vond het goed dat het museum in  2017 aandacht besteedde aan de Goelag-kampen in de Sovjet-Unie, maar hij  vond het onverteerbaar dat het museum stelde dat SS’ers naast daders ook slachtoffers waren van de Goelag. Er werd soms fel maar altijd met veel wederzijds respect en waardering gediscussieerd. Max bleef scherp  en strijdvaardig tot het eind toe, al kwam hij door een zwakke gezondheid de laatste jaren nauwelijks meer naar het museum.

In 2007 publiceerde Max van den Berg zijn memoires, Tegenwicht. Het eerste exemplaar werd in het Verzetsmuseum aangeboden aan Eberhard van der Laan,  toen nog advocaat en bestuursvoorzitter van het museum.  Max beschreef in het boek zijn afkomst van de Sefardisch-joodse familie Del Monte, die de naam vertaalde in Van den Berg, zijn lagere schooltijd tijdens de crisisjaren in een sociaal-democratisch gezin, en zijn tijd tijdens de oorlog aan de HBS, waar hij op 25 februari 1941 als 13-jarige de Februaristaking organiseerde. Zijn vaders Joodse familie werd, in zijn bijzijn, uit huis gehaald en gedeporteerd. Dankzij zijn niet-Joodse moeder bleef Max buiten schot. Vanaf zijn 17de in 1944 verspreidde hij de illegale Waarheid en die zomer dook hij met twee schoolvrienden onder in Limburg om aan dwangarbeid te ontkomen. Toen in het najaar de bevrijding op handen leek, gingen zij terug naar Amsterdam, waar hij de Hongerwinter doormaakte. Na de oorlog ging Max werken. Hij ontmoette zijn eerste vrouw en werd in januari 1946 lid van de CPN, waar hij later in verschillende functies voor ging werken. Hij kreeg drie kinderen (Ria, Marianne, Pim), verkeerde na de dood van zijn vrouw en verwijdering van zijn kinderen twee jaar in een depressie; hertrouwde  in 1969 met Nora Kanteman, en kreeg nog een dochter (Maaike). Ruim tien jaar was hij actief in de stadsdeelraad Osdorp, na de fusie van de CPN met de PSP en PPR, namens Groen Links.  Hij zette zich onder meer in voor vernoeming van straten naar verzetsmensen.

Politieke betrokkenheid, en betrokkenheid bij het levend houden van de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog liepen als een rode draad door zijn leven. Zijn boek staat vol foto’s van herdenkingen en demonstraties. Eén van de laatste hoofdstukken is gewijd aan het Verzetsmuseum. Max was in de beginjaren betrokken bij de bepaling van de inhoud van het museum, de vorming van een vriendenstichting, en onderhandelde met de Joodse gemeente over gebruik van de Lekstraatsynagoge. Jarenlang was Max ook redacteur van het Contactblad van de Stichting 1940-1945. Samen met Sylvia de Groot schreef hij in 2001 het oorlogsverhaal van Marianne van Raamsdonk.  Max sluit zijn boek af met: “Soms vraag ik mijzelf wel eens af, raak ik oorlog en verzet ooit kwijt? Waarom niet rustig met een boekje in een hoekje? (…) Maar… Als ik in kranten verhalen lees over vluchtelingenkampen in Nederland (…) dan blijft opstandigheid, verzet tegen inhumane behandeling onmisbaar. Voor mij zal dat voortduren tot mijn laatste ademtocht. “