Ga direct naar de hoofdnavigatie Ga naar de hoofdinhoud Ga direct naar de hoofdnavigatie Ga direct naar zoeken

Schaarste

Tijdens de bezetting neemt de schaarste toe: er komt steeds meer gebrek aan van alles en nog wat: voedsel, brandstof, kleding. Dat komt bijvoorbeeld doordat veel naar Duitsland voor de oorlogsindustrie wordt vervoerd. Bovendien mag Nederland zelf niets meer over zee invoeren.

Distributiesysteem

Door de schaarste zijn er niet genoeg producten voor iedereen. Een verdelingssysteem (distributiesysteem) met bonnen moet ervoor zorgen dat iedereen een eerlijk deel krijgt. Per ingeleverde bon heb je dan recht op een bepaalde hoeveelheid van een product of bijvoorbeeld op een paar schoenen.

Als je boodschappen gaat doen moet je dus geld én de juiste bonnen meenemen.

Distributiebonnen zijn er overigens voor de oorlog ook al omdat er in de jaren '30 ook schaarste is. Na de bevrijding in mei 1945 gaan langzaam maar zeker steeds meer producten van de bon. Pas in 1952 wordt het distributiesysteem afgeschaft.

Voorkant van een brochure voor huisvrouwen over het distributiesysteem.
Voorkant van een brochure voor huisvrouwen over het distributiesysteem.

Niet alles op de bon

Niet alles komt meteen op de bon. Pas als het schaars wordt is dat nodig.

Bijvoorbeeld:
Juni 1940: koffie, thee, brood, boter, benzine, kolen
Augustus 1940: zeep
September 1940: vlees, vleeswaren
Voorjaar 1941: melk, aardappels
Mei 1942: tabak

Bonkaart: een vel met bonnen waarmee je van alles koopt. In dit geval zie je bonnen voor aardappelen, algemeen, boter, reserve en melk.
Bonkaart: een vel met bonnen waarmee je van alles koopt. In dit geval zie je bonnen voor aardappelen, algemeen, boter, reserve en melk.
Krantenbericht waarin staat welke bonnen wanneer geldig zijn en hoeveel je ervoor kunt kopen.
Krantenbericht waarin staat welke bonnen wanneer geldig zijn en hoeveel je ervoor kunt kopen.

Distributiestamkaart

Iedere Nederlander krijgt een distributiestamkaart. Dit is een persoonlijke kaart waarmee je jouw voorraad bonnen ophaalt.
In de kranten en op affiches kun je zien welke bonnen wanneer geldig zijn. Je moet dat heel nauwkeurig bijhouden om niets mis te lopen!

 

Foto van een vrouw die distributiebonnen uitknipt.
Foto van een vrouw die distributiebonnen uitknipt.

Miljoenen bonnen per week

Winkeliers moeten de ingeleverde bonnen allemaal netjes inleveren. Pas dan krijgen ze weer recht op nieuwe voorraad. Elke week gaan er in Nederland miljoenen bonnen rond.

Het systeem wordt steeds ingewikkelder, en wat je ervoor krijgt wordt steeds minder. Maar tot de winter van 1944-1945 (de Hongerwinter) werkt het wel. De distributie zorgt ervoor dat de mensen niet ondervoed raken, of in de kou komen te zitten.

Bonnen voor onderduikers

Als je bent ondergedoken besta je officieel niet meer en krijg je geen bonnen. En die heb je nodig, want: geen bonnen, geen eten! Verzetsmensen proberen dit probleem op te lossen. Dat doen ze bijvoorbeeld door overvallen te plegen op distributiekantoren. Ook vragen ze ambtenaren die daar werken om stapeltjes bonnen achterover te drukken. Of ze halen bonnen op met valse persoonsbewijzen.

Johannes Post was de leider van de Landelijke Knokploegen (LKP), die distributiekantoren overvielen.
Johannes Post was de leider van de Landelijke Knokploegen (LKP), die distributiekantoren overvielen.
Informatie blad over het eten van tulpenbollen, inclusief recepten.
Informatieblad over het eten van tulpenbollen, inclusief recepten.

Honger

Steeds meer dingen komen 'op de bon'. En dan krijg je voor die bonnen ook nog steeds minder! Eerst is er tekort aan medicijnen, schoenen, fietsbanden, kleding, papier. Later ook aan voedsel. Vooral in de grote steden in West-Nederland is er in de laatste winter veel te weinig eten. Die winter heet niet voor niets de Hongerwinter. Zie ook het dossier over de Hongerwinter

Tulpenbollen en suikerbieten

In de Hongerwinter bedenken de mensen daarom nieuwe gerechten met tulpenbollen of suikerbieten, zoals soep en stampot.

Surrogaat

Door de oorlog kunnen er geen producten meer uit verre landen geïmporteerd worden. Deze producten worden als dat mogelijk is vervangen door surrogaten. Surrogaat betekent 'vervanging', of 'nep'.

Van koffie, thee en tabak (voor de oorlog per schip ingevoerd), zijn al snel alleen nog surrogaat-producten verkrijgbaar. 

 

Flesjes koffiesurrogaat, een pak koffiesurrogaat, een rol touw gemaakt van papier, kinderpantoffeltjes met kartonnen zooltjes, pakjes sigaretten van in Nederland verbouwde tabak en stukken surrogaatzeep.
Flesjes koffiesurrogaat, een pak koffiesurrogaat, een rol touw gemaakt van papier, kinderpantoffeltjes met kartonnen zooltjes, pakjes sigaretten van in Nederland verbouwde tabak en stukken surrogaatzeep.

Eikeltjeskoffie

Surrogaatkoffie is koffie die niet is gemaakt van echte koffiebonen. Het lijkt koffie maar is het niet. Er worden cichorei wortel, granen en ook eikels voor gebruikt. Daarom wordt het ook wel eikeltjes-koffie genoemd. Veel mensen vinden surroggaatproducten minder goed dan de echte.

Meer weten over voedsel in de oorlog? Bekijk het dossier Voedsel.

Flesje koffiesurrogaat uit de oorlog.
Flesje koffiesurrogaat uit de oorlog.

In de rij voor chocolade

Rij wachtenden voor Chocolaterie Van Bemmelen aan de Heiligeweg in Amsterdam, 1942.

 

Zwarthandel op de hoek van de Haarlemerdijk (Amsterdam winter 1944 1945).
Zwarthandel op de hoek van de Haarlemerdijk (Amsterdam winter 1944 1945).

Zwarte markt

Omdat er zoveel schaarste is, en alles 'op de bon' moet, ontstaat er een zwarte markt. De producten worden stiekem en tegen hoge prijzen verkocht. Veel mensen, zoals boeren, produceren zelf voedsel. Ze houden varkens, koeien en kippen of ze verbouwen op het land. In plaats van de producten via de officiële kanalen te verkopen, doen ze het zwart. Dus niet via het distributiesysteem.

Vooral mensen met veel geld kunnen de belachelijk hoge bedragen betalen. Dat is natuurlijk niet eerlijk! Het bonnensysteem is immers niet voor niets bedacht.

 

Clandestien (stiekem) slachten van vee is slecht volgens de Duitse machthebbers.
Clandestien (stiekem) slachten van vee is slecht volgens de Duitse machthebbers.

Sluikhandel = zwarte markt = stiekeme verkoop

De naam zwarte markt is een directe Nederlandse vertaling van een Duits woord. In Nederland heet het eerst 'sluikhandel'. De producten worden stiekem verkocht, en vaak tegen hele hoge prijzen. De Duitsers zijn erg tegen de zwarte handel en het zonder toestemming slachten van vee. 

De zwarte handel geeft de Duitsers een mooi excuus: dat er schaarste is komt niet door de Duitsers maar door de zwarthandelaren! Als de sluikhandel verdwijnt is er voldoende voor iedereen! Met dreigende posters wordt die Duitse boodschap verspreid. 

Wapenindustrie

Voor de Duitse wapenindustrie zijn veel grondstoffen nodig. Daarom nemen de Duitsers allerlei metalen in beslag. Dit maakt het Nederlandse bedrijven vaak nog moeilijker om door te werken.

Ook kerkklokken worden weggehaald. Die kunnen de Duitsers omsmelten tot wapens.

Kerkkloken worden uit de torens getakeld.
Kerkkloken worden uit de torens getakeld.

Geld

Ook de burgers krijgen te maken met de grote metaalvordering. Zelfs dit metaal van de munten is nodig voor de wapenindustrie. Zo wordt muntgeld vervangen door papiergeld en zinken muntgeld. 

En de persoonlijke bezittingen van metaal? Ook inleveren! Sieraden, bonbonschalen, ketels; alles komt in aanmerking. Maar bijna niemand doet dit.

Papiergeld uit de oorlog.
Papiergeld uit de oorlog.
Amsterdam: taxi op de Dam met 1pk.
Amsterdam: taxi op de Dam met 1pk.

Vervoer

Ook benzine is schaars. Bijna alle benzine gaat naar de Duitsers. Door benzinegebrek rijden er steeds minder 'gewone' auto's. Bussen, auto's en zelfs sommige brommers rijden met een gasgenerator. Daarin worden kolen of hout omgezet in gas. Op dat gas draait de motor.

 

Deze auto rijdt op houtgas.
Deze auto rijdt op houtgas.

Gas op dak

Bussen hebben daarom een soort aanhangwagen waar de generator op staat. Sommige auto's rijden met een enorme ballon gas op het dak. Voor taxi's worden paarden gespannen. Ook de paardentram wordt van stal gehaald. Trams en treinen rijden minder vaak en zijn steeds voller.

Fiets weg

De bezetters nemen ook fietsen af van de mensen. Dit inpikken heet 'vorderen'. In Amsterdam moeten de joden als eerste hun fietsen inleveren.  Wie na september 1944 nog op een fiets rijdt (zonder rubberbanden natuurlijk want de zijn niet meer te koop), moeten uitkijken ... Je fiets kan zomaar langs de weg worden afgepakt. Als je een speciale fietsvergunning hebt mag je doorrijden.

Duitse militairen nemen fietsen in beslag.
Duitse militairen nemen fietsen in beslag.

Gebrek aan rubber

Rubber is er ook bijna niet meer. Fietsen hebben banden van hout, met ijzerbeslag, van geperste massieve oude autobanden. Alles waarop je kunt rijden is goed. Ook worden wieltjes van de autoped (step) gebruikt als voorwiel.

Dat heeft een voordeel: de Duitsers vorderen soms fietsen. Maar fietsen met zo'n gek voorwieltje hoeven ze niet...

Fiets met voorwiel van een step.
Fiets met voorwiel van een step.
Noodkacheltjes.
Noodkacheltjes.

Handig

Omdat er zo veel dingen niet te krijgen zijn, gaan mensen zelf oplossingen verzinnen.

Bijvoorbeeld noodkacheltjes om hout in te verbranden, worden zelf gemaakt. Kolen zijn in die tijd de normale brandstof, maar die zijn er haast niet meer.

Ook nieuwe kleding kun je niet zo maar meer kopen. Er wordt dus veel versteld en genaaid. Meer hierover is te lezen in het dossier: Mode en kleding.