Het lied 'de achttien dooden'

Dit gedicht is in 1941 geschreven door Jan Campert. Het gaat over achttien verzetsstrijders die in hun cel op hun executie wachten.

­Jan Campert (1912 - 1943)De achtien dooden.














Het lied der achttien dooden

Een cel is maar twee meter lang
en nauw twee meter breed,
wel kleiner nog is het stuk grond,
dat ik nu nog niet weet,
maar waar ik naamloos rusten zal,
mijn makkers bovendien,
wij waren achttien in getal,
geen zal den avond zien.

O lieflijkheid van licht en land,
van Holland's vrije kust,
eens door den vijand overmand
had ik geen uur meer rust.
Wat kan een man oprecht en trouw,
nog doen in zulk een tijd?
Hij kust zijn kind,
hij kust zijn vrouw
en strijdt den ijdlen strijd.

Ik wist de taak die ik begon,
een taak van moeiten zwaar,
maar't hart dat het niet laten kon
schuwt nimmer het gevaar;
het weet hoe eenmaal in dit land
de vrijheid werd geeerd,
voordat een vloekbre schennershand
het anders heeft begeerd.

Voordat die eeden breekt en bralt
het miss'lijk stuk bestond
en Holland's landen binnenvalt
en brandschat zijnen grond;
voordat die aanspraak maakt op eer
en zulk Germaansch gerief
ons volk dwong onder zijn beheer
en plunderde als een dief.

De Rattenvanger van Berlijn
pijpt nu zijn melodie,
- zoo waar als ik straks dood zal zijn
de liefste niet meer zie
en niet meer breken zal het brood
en slapen mag met haar-
verwerp al wat hij biedt
of bood die sluwe vogelaar.

Gedenkt die deze woorden leest
mijn makkers in den nood
en die hen nastaan 't allermeest
in hunnen rampspoed groot,
gelijk ook wij hebben gedacht
aan eigen land en volk
- er daagt een dag na elken nacht,
voorbij trekt iedre wolk.

Ik zie hoe't eerste morgenlicht
door 't hooge venster draalt.
Mijn God, maak mij het sterven licht
- en zoo ik heb gefaald
gelijk een elk wel falen kan,
schenk mij dan Uw gena,
opdat ik heenga als een man
als 'k voor de loopen sta.


Achttien verzetsstrijders
Het gedicht 'Het lied der achttien dooden' is in 1941 geschreven door Jan Campert, en wordt twee jaar later illegaal uitgegeven. Het gedicht gaat over achttien verzetsstrijders (vijftien Geuzen en drie Februaristakers) die in hun cel op hun executie wachten.

1. Bernardus IJzerdraad (49 jaar), gobelinrestaurateur
2. Jan Kijne (46 jaar), vertegenwoordiger
3. Ary Kop (40 jaar), verzekeringsagent
4. Jacob van der Ende (22 jaar), schilder
5. Leendert Keesmaat (29 jaar), onderwijzer
6. Hendrik Wielenga (37 jaar), electrotechnicus
7. Johannes Smit (30 jaar), monteur
8. Frans Rietveld (36 jaar), slijper
9. Leendert Langstraat (31 jaar), machinebankwerker
10. Jan Wernard van den Bergh (47 jaar), slijper
11. Albertus Johannes de Haas (37 jaar), metaalgieter
12. Reijer Bastiaan van der Borden (32 jaar), hulppolitieagent
13. Nicolaas Arie van der Burg (36 jaar), vertegenwoordiger
14. George de Boon (21 jaar), metaalbewerker
15. Dirk Kouvenhoven (24 jaar), stoker
16. E. Hellendoorn (28 jaar), kunstschilder
17. Hermanus Mattheus Hendricus Coenradi (31jaar), electricien
18. J. Eyl (44 jaar), magazijnbediende


Jan Campert
Jan Campert (1902 - 1943) was journalist, toneelcriticus en schrijver van verhalen en gedichten. Hij werd in de Tweede Wereldoorlog gearresteerd omdat hij joden had geholpen. Hij is naar het concentratiekamp Neuengamme (in Duitsland bij Hamburg) gebracht. Daar overlijdt hij op 12 januari 1943. Het Gemeentearchief Amsterdam heeft een brief van Jan Campert over de avond van de inval van Duitsland op 10 mei 1940. Bij de aanval worden vier bommen op Amsterdam gegooid waardoor 51 mensen worden gedood. Zie de brief op de site van het Het Gemeentearchief Amsterdam