Ga naar de hoofdcontent

In verzet

Wij zijn uit overtuiging en plichtsgevoel bij het verzet gekomen. Door onze opvoeding was bij ons een sterk sociaal en politiek bewustzijn gekweekt.
Freddie
Portret van Hannie Schaft
Hannie Schaft

Hannie Schaft

Hannie is negentien jaar als de Duitsers op 10 mei 1940 Nederland binnenvallen. Ze studeert in Amsterdam en trekt veel op met haar joodse studiegenoten Sonja Frenk en Philine Polak. Hannie is kwaad als haar vriendinnen te maken krijgen met anti-joodse maatregelen. Sonja en Philine krijgen een J in hun persoonsbewijs en in 1942 moeten ze een jodenster dragen. Hannie steelt voor hen persoonsbewijzen zonder J. Het is haar eerste verzetsdaad. Ze regelt onderduikadressen voor haar vriendinnen, en later ook voor anderen.

Jo heeft tientallen persoonsbewijzen gestolen. En die bracht ze naar mij, omdat ze wel wist dat ik die gebruiken kon. Als ik tegen haar zei: “Ik heb iets nodig van een vrouw van ongeveer veertig jaar”, kwam ze prompt een uur later met zo’n ding aanzetten.
Erna Kropveld, studievriendin en actief in het verzet

Loyaliteitsverklaring

Begin 1943 moet elke student een verklaring van gehoorzaamheid aan de Duitse bezetters ondertekenen: ‘de loyaliteitsverklaring’. Wie weigert mag niet meer studeren. Hannie tekent niet en stort zich volledig op het verzet. Via via komt ze in contact met de Raad van Verzet, een gewapende verzetsgroep. Ze sluit zich aan en kiest hiermee voor de zwaarste vorm van verzet.

Jo vond het ondenkbaar, dat je als goede Nederlander zo'n papier zou ondertekenen. Het was een kwestie van solidariteit, niet alleen tussen alle studenten, maar ook met groepen die in ons land veel erger onderdrukt en weggevoerd werden.
Nellie Luyting, studievriendin en huisgenoot

Anti-joodse maatregelen

In de herfst van 1940 stellen de Duitsers de eerste anti-joodse maatregelen in. Joodse docenten mogen geen les meer geven. Het studentenblad Propria Cures schrijft er een fel hoofdartikel over. Hannie bespreekt het artikel uitvoerig met haar huisgenoten.

Gemma

Hannie wil graag lid worden van de Amsterdamse Vrouwelijke Studenten Vereniging. Maar geen enkel dispuut (afdeling) vraagt haar lid te worden. De leden vinden haar te saai. Hannie laat het er niet bij zitten en richt in 1940 met een aantal andere overgebleven studentes een eigen dispuut op: Gemma. De meisjes van de andere disputen noemen Gemma spottend ‘Geen Enkel Meisje Meer Alleen’.

Hannie met dispuutgenoten
Hannie met dispuutgenoten
Het eerste adres dat Hannie voor mij verzorgde was in Zeist. Toen ik daar weg moest heb ik Hannie opgebeld om te vragen of ze een oplossing wist. Zonder aarzelen zei ze, ook uit naam van haar ouders: “Kom bij ons."
Philine Polak
Truus (rechts) en Freddie (midden) in 1941
Truus (rechts) en Freddie (midden) in 1941

Truus en Freddie

Truus en Freddie zijn zestien en veertien als de oorlog in Nederland uitbreekt. Hun moeder heeft een stencilmachine in huis waarmee ze verzetskranten gaat maken. Het is vanzelfsprekend dat haar dochters ook in verzet komen. Met vrienden uit de communistische jeugdbeweging schilderen ze anti-Duitse leuzen op straat; ze verspreiden oproepen tot verzet en strooien spijkers op wegen waar veel Duitse auto’s rijden.

Raad van verzet

In 1941 worden de zusjes gevraagd zich aan te sluiten bij een gewapende verzetsgroep, die later onderdeel wordt van een grotere groep: de Raad van Verzet. De commandant wil graag vrouwen bij zijn groep, omdat die minder opvallen. Hij heeft gehoord dat de zusjes niet bang zijn. Ze moeten bruggen, spoorlijnen en fabrieken opblazen en bommen plaatsen. Ze moeten een wapen dragen, om bij een actie zonodig te schieten. Truus en Freddie aarzelen kort, maar besluiten het te doen. 

Van een oorlogssituatie merkten we in het begin niet zo heel veel, hoewel we daar toch dagelijks over praatten. Jo was hevig verontwaardigd. We luisterden naar Radio Oranje en brachten van de universiteit illegale blaadjes mee, zoals De Vrije Katheder.
Nellie Luyting, studievriendin en huisgenote

Illegaal blaadje

Truus: ‘Ik ben met een jongerengroep begonnen met het maken en verspreiden van een illegaal blaadje, De Koevoet, speciaal bedoeld voor scholieren in Haarlem.’

Truus: ‘Wij konden niet geweldloos toezien tijdens de oorlog. Dat had niks te maken met een land waar je tegen was, maar met de racistische ideeën van de nazi's. De nazi's wilden een volk met blauwe ogen en blond haar. Alle anderen volken en rassen waren volgens de nazi's slecht. Die moesten heel hard werken in fabrieken of ze werden meteen gedood. Daar waren wij tegen en daarom waren wij zo fel in de strijd.’

Truus: ‘Mijn moeder waarschuwde altijd als ik kranten ging rondbrengen: “Kijk om je heen, pas op dat je niet gevolgd wordt.” Toen was ik me wel bewust dat het werk gevaarlijk was.’

Pamfletten uitdelen

Truus: ‘In 1941 kwam de Februaristaking, waar we erg aan mee hebben gedaan. De Amsterdammers staakten omdat de joden werden weggehaald. Dat ging ze te ver. We zijn toen op de fiets naar Amsterdam geweest, waar we pamfletten hebben uitgedeeld met Staakt, staakt!. We hadden toen echt een overwinningsgevoel. We waren niet bang, omdat we met zo velen waren.’

Stakingsoproep
Stakingsoproep

Meer artikelen uit dit dossier

Er is veel meer te vertellen over dit onderwerp. Lees snel verder op onderstaande pagina's.